Cliënten Sociale Zekerheid
 

I

Nieuwsbrief Sociale Zekerheid 

Nr  10/04 18 februari 2010
 



 

LVA 
Postbus 151
6430 AD Hoensbroek
T.  045 56 91 994
Ma. t/m vr. 11.00 – 13.00 u.
E. info@lva-nederland.nl
W. 
www.lva-nederland.nl

LocSZ 
Secr. Ger Ramaekers
Stichting Clip
Postbus 133
3500 AC Utrecht
T.  06 420 920 30
E. info@locsz.nl
W. 
www.locsz.nl

Colofon

 

De Nieuwsbrief Sociale Zekerheid is een uitgave van de Landelijke Vereniging van Arbeidsongeschikten (LVA) en het Landelijk overleg cliëntenraden Sociale Zekerheid (LocSZ).

 

Deze nieuwsbrief werd in opdracht van LVA en LocSZ samengesteld door

Catrinus Egas, bureau AanZ  www.aanz.org

 

 

Redactie nieuwsbrief e-mail: webredactie@lva-nederland.nl

 

n deze nieuwsbrief de volgende onderwerpen:

Oproepen en aankondigingen

Beleidsplannen en uitvoeringsplannen

WIA en Poortwachter:

WWB:

Ouderen en AOW:

 
Sociale zekerheid algemeen:

Sociale zekerheid in de keten:

Koopkracht en armoede:

Reïntegratie en arbeidsmarkt:

Wmo:

Zorg:

Nieuw op het intranet

  • Update dossier Work First, dwangarbeid?
  • Update stand van zaken cliëntenparticipatie Werkpleinen
  • Update rubriekenarchief: rubriek WWB, rubriek WIA Poortwachter, Wajong, WAO en Herbo


Voor de printversie van de nieuwsbrief klik hier
Om de nieuwsbrief te openen moet je wel beschikken over AcrobatReader van Adobe.
klik op het logo om dit programma gratis te downloaden


Themabijeenkomst nieuwe Wajong en Wet Investering Jongeren
Per 1 januari 2010 is er veel veranderd voor jongeren die aan de slag willen. Wordt het Wajong of WIJ?  Beide regelingen richten zich op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van jongeren.
Ze gaan uit van het idee dat jongeren - met of zonder beperking - moeten werken of leren en dat zij recht hebben op ondersteuning c.q. een werk-leeraanbod.
Wat zijn de kansen en uitdagingen die de Wajong en WIJ bieden? Wat is de samenhang tussen beide regelingen?

CliëntenBelang Utrecht organiseert op donderdag 18 februari 2010 van 14.00 tot 16.30 uur een themabijeenkomst.
Een medewerker van het Jongerenloket van de Gemeente Utrecht vertelt meer over de wet WIJ en het Jongerenloket.
Daarna zal de stafverzekeringsarts Pieterjan Bakker van het UWV een presentatie geven over de Wajong.

In het tweede gedeelte kijken we naar de verbindingen tussen deze terreinen.
Wat is de samenhang tussen beide regelingen? En met wie kunt u samenwerken?

De middag is bedoeld voor spreekuurhouders, cliëntenraden, platforms en beroepskrachten die betrokken zijn bij dit onderwerp.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met CliëntenBelang Utrecht, Anita Kamminga, tel. 030 – 263 18 68, e-mail: a.kamminga@clientenbelangutrecht.nl  

 index


Stand van zaken wetten en regelingen
Volgen hoe ver het staat met voorgenomen wetten en regelingen op het terrein van SZW?
Klik op de link hieronder voor het overzicht op de site van het ministerie.
klik hier

index


Pensioenregister biedt mensen compleet overzicht hoogte pensioen
Vanaf 2011 biedt een nieuw nationaal pensioenregister iedereen die dat wil een overzicht van de opbouw van zijn AOW en aanvullend pensioen. Zo hebben mensen, ook als ze bij verschillende werkgevers hebben gewerkt, een compleet overzicht van hun oudedagsvoorziening. De ministerraad heeft op voorstel van minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingestemd met een wetswijziging in de pensioenwet om het pensioenregister mogelijk te maken. Het wetsvoorstel is in lijn met de adviezen van de commissies Goudswaard en Frijns over de communicatie over de pensioenen.

Het wetsvoorstel regelt dat pensioenfondsen en de Sociale Verzekeringsbank de benodigde gegevens aan het register leveren. Iedereen kan zijn eigen gegevens vervolgens elektronisch opvragen in het register met behulp van het burgerservicenummer en het digID. Om de privacy te waarborgen zijn de gegevens alleen beschikbaar voor mensen zelf. Een publiekscampagne gaat het register te zijner tijd breed onder de aandacht te brengen.

De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

Bron: persbericht Ministerraad, 5 februari 2010

 index


Rechtbank Almelo: UWV in de fout bij keuring me/cvs-patiënten
Het UWV baseert de keuring van ME/CVS-patiënten op een onjuist standpunt. Keuringsartsen moeten bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid de gevolgen van CVS serieus nemen. Zo oordeelt de Rechtbank Almelo in twee recente uitspraken.*) De Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid wil dat het UWV het gewraakte standpunt herziet en de gemaakte fouten rechtzet.

De Rechtbank Almelo stelt in de beroepsprocedures van twee jonge ME/CVS-patiënten dat CVS een ziekte is in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetgeving. Het is een reële en invaliderende aandoening. Keuringsartsen van het UWV moeten de klachten en belemmeringen die CVS-patiënten ondervinden serieus nemen. Het standpunt dat niet is voldaan aan de eis van objectivering, alleen maar omdat er geen afwijkingen zijn gevonden, is niet juist. De Rechtbank verwijst hierbij naar het keuringsprotocol CVS, dat op 1 januari 2008 van kracht is geworden.

UWV Hengelo: vrijwel nooit arbeidsongeschiktheid
De betreffende patiënten hadden een Wajong-uitkering voor jonggehandicapten. De één een volledige, de ander een gedeeltelijke. Beiden ondervinden als gevolg van hun ziekte ernstige beperkingen. Beiden hebben daardoor hun studie moeten opgeven. De één is zo ziek dat ze dagelijks hulp van haar ouders nodig heeft. De ander volgt nu een deeltijdopleiding en houdt die met veel moeite, aanpassingen en vertragingen, net vol. Het UWV heeft hun uitkeringen ingetrokken omdat het geen rekening wilde houden met de ernstige gevolgen van de ziekte. Een woordvoerder van UWV Hengelo beweerde in december voor de rechtbank dat bij CVS vrijwel nooit sprake is van arbeidsongeschiktheid, omdat er geen lichamelijke afwijkingen zijn gevonden.

Advocaat: gaat UWV nu wel luisteren?
Advocaat van beide ME/CVS-patiënten is mr. Visser uit Stadskanaal. Hij is blij met de duidelijkheid waarmee de rechtbank het UWV terechtwijst. Maar hij is niet gerust over het vervolg:Gaat UWV in hoger beroep of komen er nieuwe beslissingen? En wordt er dan beter naar mijn cliënten geluisterd, worden hun beperkingen nu wel erkend, of wordt alles langs een andere weg weer afgewezen en moet ik opnieuw procederen?’

Steungroep vraagt maatregelen van UWV en politiek
Volgens de Steungroep ME en Arbeidongeschiktheid gaat het om een hardnekkig probleem. Zij vraagt in brieven aan het UWV, minister Donner en de Tweede Kamer om alle foutieve keuringen uit de afgelopen jaren te herstellen.**) Artsen die blijven vasthouden aan de gewraakte visie of niet in staat zijn cliënten met ME/CVS onbevooroordeeld te onderzoeken zouden geen ME/CVS-patiënten meer mogen keuren.

*) Rechtbank Almelo, 08/1279 WAJONG BL1A en 09/11 WAJONG BL1A, 20 januari 2010. Zie: klik hier
**) Brief Steungroep 1 februari 2010: klik hier

Bron: Steungroep ME & Arbeidsongeschiktheid, 3 februari 2010

index


Centrale Raad van Beroep: geen 'dwangarbeid' in bijstand
Een bijstandsgerechtigde, die vindt dat hij niet hoeft mee te doen aan een reïntegratieproject van de gemeente Amsterdam, is in het ongelijk gesteld door de Centrale Raad van Beroep.

De 45-jarige Amsterdammer weigerde in 2006 deel te nemen aan een reïntegratietraject, waarna de gemeente hem kortte op de uitkering. De man vond dat er sprake was van dwangarbeid. Dit was volgens de raad niet het geval, omdat er geen fysieke of psychische dwang op de man is uitgeoefend.
De raad vond ook dat deelname aan het integratietraject niet in strijd was met het 'verbod op verplichte arbeid'. Hiervan zou sprake zijn als de man moest meedoen aan een project dat hem geen enkel perspectief zou bieden om in de toekomst een geschikte baan te vinden.

Op het moment dat de Amsterdammer aan het traject moest deelnemen, liep hij achttien jaar in de bijstand, terwijl hij lichamelijk en psychisch wel in staat was te werken. De raad vond dat de man op z'n minst een begin had kunnen maken met het traject.

De zaak kwam in 2008 al voor de rechter. Die stelde de gemeente Amsterdam eveneens in het gelijk. Volgens de raad was de uitspraak maandag erg belangrijk, omdat de reïntegratieregeling voor het eerst aan internationale verdragen over dwangarbeid is getoetst.
De advocaat van de bijstandsgerechtigde overweegt of hij de zaak voor het Europese Hof brengt.

Schoffelaar
Eerder hebben veel gemeenten hun Work First-beleid al bijgesteld naar aanleiding van de uitspraak van een beroepsrechter in de zaak van de ‘Arnhemse schoffelaar’. De rechter had de man in het gelijk gesteld in zijn opvatting dat gedwongen schoffelen niet zou bijdragen aan zijn reïntegratie. Werkzaamheden moeten dus altijd worden afgestemd met het individuele traject.

Zie verder het Work First-dossier op het intranet

index


Experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders
Naar aanleiding van een tussenevaluatie van het experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders heeft de landelijke Cliëntenraad in een brief kritiek op de aanpak geuit bij de Tweede kamer. Uit de eerste tussenrapportage blijkt dat de inzet vooral gepleegd wordt bij de gemotiveerde en relatief kansrijke alleenstaande ouders.
Het is dan ook de vraag of de uitstroom van deze mensen de bijstand ook zonder het experiment had plaatsgevonden.
De LCR heeft al vaker geconstateerd dat de reïntegratie inspanningen van de gemeenten zich richten op mensen met de kortste afstand tot de arbeidsmarkt. Zo kan niet geleerd worden of dit instrument effectief is voor minder kansrijken.

Klik hier voor de gehele brief

index


LCR protesteert tegen schrappen partnertoeslag in 2011
De Landelijke Cliëntenraad heeft in een brief aan de vaste Kamercommissie bezwaar gemaakt tegen het voorgenomen schrappen van de partnertoeslag in de AOW voor partners jonger dan 55 jaar vanaf 2011. Hieronder een deel van de brief.

Geachte dames en heren,
Op 17 februari a.s. heeft u een algemeen overleg over de besparing op de begroting SZW als gevolg van de invoering van een leeftijdsgrens voor de AOW-partnertoeslag. De LCR wil in dit verband nogmaals uw aandacht vragen voor de gevolgen van de afschaffing van de AOW-partnertoeslag in 2011.

In de begroting wordt voorgesteld om de partnertoeslag met ingang van 2011 te schrappen voor een partner die jonger is dan 55 jaar. Deze maatregel loopt vooruit op het afschaffen van de partnertoeslag per 2015.

De snelle invoering van deze maatregel staat in schril contrast tot de volledige afschaffing van de AOW-partnertoeslag in 2015. Deze is lang van te voren aangekondigd zodat betrokkenen zich daarop konden voorbereiden. Dat is ook gebeurd. Onder de groep tussen de 50 en 55 jaar is de arbeidsparticipatie enorm gestegen (van 37% in 1995 tot 63% in 2008).
Desondanks is de rijksoverheid afgelopen zomer nog een grote communicatiecampagne gestart om de bekendheid van de maatregel in 2015 te vergroten.

Bij het thans voorliggende voorstel is de tijd zo kort dat er geen maatregelen meer kunnen worden getroffen. Bovendien treft de maatregel voor een belangrijk deel partners die nog nooit gewerkt hebben of al lange tijd uit het arbeidsproces zijn. Zij hebben weinig tot geen kansen op de arbeidsmarkt.
De LCR vindt het vroegtijdig snijden in de partnertoeslag een slecht voorstel. Deze maatregel treft een groep die vrijwel kansloos is op de arbeidsmarkt.

Klik hier voor de gehele brief

 index


Boetes UWV voor startende zzp'ers niet terecht
Veel zelfstandigen zonder personeel die van 2004 tot medio 2006 met behoud van een WW-uitkering zijn gestart met een eigen bedrijf zijn niet goed voorgelicht door het UWV over de toen geldende zelfstandigenregeling.  De manier waarop het UWV de controle op misbruik van de regeling heeft uitgevoerd, is dan ook niet proportioneel. Dit concludeert de Nationale ombudsman, Alex Brenninkmeijer, op basis van onderzoek. Het doel van zijn onderzoek was om met het UWV een praktische oplossing te vinden voor de getroffen ZZP'ers. Omdat dit niet is gelukt, heeft Brenninkmeijer zijn aanbevelingen neergelegd bij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Tweede Kamer.

Iemand die een WW-uitkering ontvangt, mag met behoud van uitkering een eigen bedrijf starten. Dit is de zogenaamde zelfstandigenregeling. De uren die aan het eigen bedrijf besteed zijn, moeten worden opgegeven bij het UWV. In 2007, 2008 en 2009 hebben UWV en de Belastingdienst met een bestandsvergelijking gecontroleerd op misbruik van de regeling in de periode 2004-2006. Ongeveer 3.000 ZZP'ers zijn vervolgens geconfronteerd met hoge terugvorderingen en boetes. De aanleiding voor het onderzoek door de Nationale ombudsman zijn klachten van mensen, signalen in de media en van de Tweede Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Er is onderzocht op welke manier de begeleiding, informatievoorziening en controle bij het UWV heeft gefunctioneerd.

Voorlichting niet betrouwbaar
Voor een startende ZZP'er kan het opzetten van een eigen bedrijf veel uren kosten, die niet direct bij een opdrachtgever zijn te factureren. Casemanagers van het UWV hebben ZZP'ers begeleid bij de start. Voor deze casemanagers geldt sinds 2002 als doel dat zoveel mogelijk mensen vanuit een uitkering aan het werk moeten. Uit het onderzoek van de ombudsman blijkt dat bijna een derde van de casemanagers het niet nodig vond dat startende ZZP'ers de indirecte uren strikt zouden opgeven. Iemand kon dan onverantwoord in inkomen achteruit gaan en zou daarom niet kunnen slagen als ZZP'er. Om mensen aan het werk te helpen, geeft een aanzienlijk deel van de casemanagers aan dat het nodig was pragmatisch met de urenverrekening om te gaan. Er is bijvoorbeeld geadviseerd indirecte uren te spreiden over een aantal weken of helemaal niet op te geven. Verder constateert de ombudsman dat in de schriftelijke informatie van het UWV de kwestie van directe en indirecte uren niet expliciet onder de aandacht is gebracht.

Handhaving niet proportioneel
Het doel van de controle op misbruik van de zelfstandigenregeling over de periode 2004-2006 is volgens het UWV het bij ZZP'ers inprenten van de strikte naleving van de regels en van de pakkans. In de media is gesproken over hoge fraudepercentages. De Nationale ombudsman is van oordeel dat deze handhavende actie niet behoorlijk is geweest. Het UWV had zich er eerst van moeten verzekeren dat de regels eenduidig werden uitgevoerd, dat de informatie op orde was en dat andere maatregelen niet het gewenste effect zouden hebben. Dat dit niet is gebeurd wijt Brenninkmeijer vooral aan het feit dat de betrokken afdelingen van het UWV niet hebben samengewerkt bij het voorbereiden en uitvoeren van de handhavingsactie.

Aanbevelingen
Het is niet bekend hoeveel van de 3.000 ZZP'ers vanwege de niet eenduidige voorlichtingsaanpak van UWV ten onrechte met terugvordering en sancties is geconfronteerd. Deze mensen zijn volgens Brenninkmeijer door de handhavingsactie onevenredig zwaar getroffen. Hij geeft het UWV in overweging dat per geval wordt beoordeeld of de betrokken ZZP'er bewust onjuiste informatie heeft verstrekt en daarom terugvordering nodig is. Mocht deze aanpak per geval niet mogelijk zijn, verdient het aanbeveling om de terugvordering en opgelegde sancties terug te draaien. Omdat vaststaat dat er bij de mondelinge en schriftelijke voorlichting over het onderscheid tussen directe en indirecte uren fouten zijn gemaakt, vindt de ombudsman het redelijk dat in lopende zaken de bewijslast niet bij de ZZP'er ligt maar bij het UWV.

Het is niet gelukt om tijdens het onderzoek afspraken met het UWV te maken over deze of andere praktische oplossingen. Daarom heeft de Nationale ombudsman zijn aanbevelingen neergelegd bij de minister van SZW en de Tweede Kamer.

Nader onderzoek minister
Het UWV wil niet reageren op het rapport, dat inmiddels op het ministerie van SZW ligt. Minister Donner heeft laten weten het rapport serieus te nemen en het nader te laten onderzoeken.
Een meerderheid van de Tweede Kamer wil dat fouten van uitkeringsinstituut UWV in de zelfstandigenregeling, waarmee WW'ers met behoud van uitkering een eigen bedrijf kunnen beginnen, worden rechtgezet. Dat hebben regeringspartijen CDA, PvdA en oppositiepartij VVD gezegd.
Volgens CDA-Kamerlid Eddy van Hijum zijn de conclusies van de Ombudsman ,,een steun in de rug voor al die mensen die uitgemaakt zijn voor fraudeur''. Zijn VVD-collega Stef Blok stelt ook dat de nieuwe feiten reden zijn om met een nieuwe procedure recht te doen aan mensen die al door de rechter zijn veroordeeld.

index


Frauderende uitkeringsgerechtigden betrapt bij verkeerscontrole
Bij een verkeerscontrole op de A12 heeft het voormalige arbeidsbureau UWV donderdagnacht tien uitkeringstrekkers betrapt. Het gaat om mensen die een werkloosheidsuitkering krijgen terwijl ze een baan hebben.
Het UWV heeft zich in september aangesloten bij grote verkeerscontroles van de politie. Eerder sloot de Belastingdienst zich al aan om te controleren of mensen een openstaande belastingschuld hebben.
Het UWV controleert nu of mensen met een uitkering stiekem aan het werk zijn. "Dat iemand aan het werk is, kun je bijvoorbeeld zien als hij in een bedrijfsauto zit of als taxichauffeur of vrachtwagenchauffeur aan het werk is", legt een politiewoordvoerder uit.

De controle werd gehouden op de A12 bij Ede en Arnhem. Van de tachtig gecontroleerde bestuurders bleken er tien met uitkering aan het werk te zijn. Hun uitkering wordt teruggevorderd en ze kunnen een boete verwachten.

Vorig jaar werkte het UWV bij vier controles mee. Van de 235 bestuurders die toen werden gecontroleerd bleken er 37 onterecht een uitkering te krijgen. De grootste vis die toen werd gevangen was een man die vleesrollen vervoerde. Hij bekende dat hij dit al een jaar deed voor 1500 euro per maand, naast zijn uitkering.

index


Nulmeting cliëntenparticipatie op werkpleinen
Hoe ver zijn de werkpleinen met cliëntenparticipatie? Zijn er inderdaad al goede initiatieven van start gegaan, hoe zien deze er uit en welke knelpunten zijn er? Met die vragen heeft Regioplan in opdracht van d Landelijke Cliëntenraad (LCR) een nulmeting naar cliëntenparticipatie uitgevoerd in november en december 2009. Uit het onderzoek is gebleken dat het merendeel van de ketenpartners nog niet is begonnen met het opzetten van cliëntenparticipatie op het werkplein.

Niets gebeurd
Een kleine 70 procent van de vertegenwoordigers van werkpleinen en ook van sociale diensten hebben aangegeven dat er nog niets is gebeurd. WWB-cliëntenraden zijn actiever op dit front.
Vergeleken met een meting die een jaar eerder is uitgevoerd, blijkt er weinig vooruitgang te zijn geboekt met het opzetten van ketenbrede cliëntenparticipatie op de werkpleinen. Redenen voor het uitblijven van de initiatieven zijn divers, maar komen steeds terug op ‘geen prioriteit’, ‘te weinig tijd’ of ‘gebrek aan kennis’.

Onduidelijkheid
Er heerst, zo blijkt, ook nog veel onduidelijkheid over vorm en inhoud. En er bestaan verschillen van inzicht als het gaat om de samenstelling van de cliëntenvertegenwoordiging, de overlegpartners, de overlegfrequentie, samenwerkingsafspraken en het verloop van de samenwerking.

Meer ondersteuning
Dertig procent van de ondervraagden heeft aangegeven graag meer ondersteuning te willen hebben bij het opzetten van cliëntenparticipatie op het werkplein. Vooral vertegenwoordigers van het werkplein en van WWB-cliëntenraden willen graag brochures, nieuwsbrieven en een website kunnen raadplegen met goede voorbeelden. Voorlichtingsbijeenkomsten zijn eveneens welkom. Ook hulp bij het oplossen van knelpunten is wenselijk. En dan gaat het vooral om advies, voorbeelden van samenwerkingsafspraken en scholing.

Voor het hele rapport: klik hier

Inventarisatie LocSZ/LVA
LocSZ en LVA hebben in de afgelopen maanden eveneens een inventarisatie gehouden. Deze is te vinden op het intranet: klik hier

index


Elk jaar belandt een op de duizend Nederlanders in de schuldsanering
In de periode 2006-2008 zijn gemiddeld 13 duizend schuldsaneringen per jaar uitgesproken. Dit betekent dat jaarlijks één op de duizend Nederlanders van 18 jaar en ouder in de wettelijke schuldsanering belandt. In de aandachtswijken ligt dat aantal bijna twee keer zo hoog.

Grote verschillen tussen aandachtswijken
Schuldsanering komt niet in alle aandachtswijken even vaak voor. Zo liep het aantal schuldsaneringen per jaar in de periode 2006-2008 uiteen van 0,7 per duizend inwoners in de aandachtswijk Heechterp/Schieringen in Leeuwarden tot 5,4 per duizend inwoners in de Rivierenwijk in Deventer. Dit blijkt uit de Outcomemonitor 40-Wijkenaanpak van het CBS.

In Amsterdam bijna twee keer zo veel schuldsaneringen als in Den Haag
Ook tussen de vier grootste gemeenten verschilden de cijfers sterk. Zo werden in Amsterdam bijna twee keer zo veel schuldsaneringen uitgesproken als in Den Haag: 1,4 tegen 0,8 per duizend inwoners. Utrecht en Rotterdam lagen daar tussenin. Daar werden per jaar gemiddeld 1,0 respectievelijk 1,1 van de duizend inwoners toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.

Deze verhoudingen tussen de gemeenten zijn ook terug te vinden in de schuldsaneringen in de aandachtswijken van die gemeenten. In Amsterdam liep dat uiteen van 1,5 per duizend inwoners in Bos en Lommer tot 3,0 in Amsterdam-Noord. Het laagste aantal schuldsaneringen in de aandachtswijken van Den Haag kwam voor in Transvaal met 0,9 per duizend inwoners, terwijl dat aantal in de Schilderswijk op 1,5 lag. In de aandachtswijken van Utrecht werden gemiddeld 2,4 schuldsaneringen per duizend inwoners uitgesproken. Dat waren er in de aandachtswijken van Rotterdam 1,6 per duizend inwoners.

Bron: CBS, 3 februari 2010

index


Schuldhulp: hoe lost de gemeente dat op?
Door: Nadja Jungmann

Afgelopen januari heeft staatsecretaris Klijnsma van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening bij de Tweede Kamer ingediend. Gezien de kamerbrede instemming met het voornemen, ligt het voor de hand dat het wetsvoorstel deze zomer in werking treedt.

Vanuit mijn betrokkenheid bij de uitvoering van de schuldhulpverlening werk ik op deze plaats in de komende vijf weken uit wat de invoering van het wetsvoorstel voor gemeenten betekent. In deze eerste bijdrage schets ik het algemene beeld.

Kwaliteit
De uitvoering van de schuldhulpverlening staat onder druk. Wachttijden, (te) lange doorlooptijden, uitval en het ontbreken van effectieve ketensamenwerking zijn fenomenen die in veel gemeenten spelen. Door bij wet eisen te gaan stellen aan gemeenten, beoogt de staatsecretaris een kwaliteitsbodem te leggen in de uitvoering van schuldhulpverlening.

Belangrijke eisen die de wetgever aan de gemeenten gaat stellen zijn dat de uitvoering integraal is opgezet, er regie wordt gevoerd (door de gemeente),eventuele wachttijden niet langer duren dan vier weken (en bij crisis drie dagen), de gemeente ook inzet op preventie en nazorg, de schuldhulpverlening voor nagenoeg alle inwoners toegankelijk is en leidt tot een passende oplossing. De gemeenteraad moet een plan vaststellen waarin ze uitwerkt hoe zij de hiervoor genoemde zaken gaat realiseren en hoe ze op de realisatie stuurt.
Op dit moment voeren de meeste gemeenten al schuldhulpverlening uit. Er zijn er ook die al voldoen aan de toekomstige wettelijke eisen. Voor de meeste gemeenten betekent de invoering dat ze een (flinke) ontwikkelingsslag moeten maken om er voor te zorgen dat de schuldhulpverlening ‘wettelijk-kader-klaar’ is. Hoe de ontwikkelagenda van een individuele gemeente er uit zal zien, hangt af van de manier waarop de schuldhulpverlening nu is georganiseerd.

Voor veel gemeenten zal gelden dat ze met name opgaven hebben op het terrein van de beleidsontwikkeling, de optimalisering of doorontwikkeling van werkprocessen, het inregelen van keten-samenwerking en regievoering en de afstemming van de nieuwe wettelijke eisen met andere ontwikkelingen zoals de gevolgen van de ontmanteling van de AwbZ (pakketmaatregel), nieuwe keuzes ten aanzien van de NEN-norm schuldhulpverlening (systeem van certificering) en/of mogelijkheden om (lokaal) early warning te organiseren.

Preventie, nazorg en integrale schuldhulpverlening
Voor beleidsmedewerkers brengt het wetsvoorstel vragen mee over onder meer de inzet op preventie, nazorg en integrale schuldhulpverlening.

Wat doe je als gemeente aan preventie? Zet je in op massamediale campagnes, op individueel contact of op een mix die varieert van brede informatieverstrekking tot het individueel trainen (van vaardigheden en competenties) zodat mensen geen schulden (meer) maken.

Ten aanzien van nazorg moet de vraag beantwoord worden waar deze uit bestaat. Een enkel telefoongesprek twee en zes maanden na afloop van de schuldhulpverlening of een veel intensiever traject?

En hoe organiseer je integrale schuldhulpverlening? Organiseer je specifiek integrale schuldhulpverlening of plaats je deze eis in het wetsvoorstel in een bredere ontwikkeling naar meer integraliteit in het sociaal domein (de mens centraal).

Organisatie en werkprocessen
Het wetsvoorstel brengt ook vragen met zich mee over de werkprocessen (zeker in een context van een stijgende vraag en flinke gemeentelijke bezuinigingen). Hoe biedt je iedereen een passende oplossing zoals het wetsvoorstel voorschrijft? Betekent dit dat je iedereen aan een schuldenvrije toekomst probeert te helpen?

Of dwingt de wettelijke eis om iedereen hulp aan te bieden in combinatie met de constatering dat een schuldenvrije toekomst voor een substantiële groep de aanleiding om, zoals ik een aantal steden recent adviseerde, de werkprocessen zo in te richten dat zij verschillende hulpverleningssporen onderscheiden. Waarin bij het eerste spoor een schuldenvrije toekomst het doel is en bij het tweede spoor (voor mensen die voorlopig aantoonbaar niet kunnen voldoen aan de eisen van het eerste spoor) het hanteerbaar maken het doel van de dienstverlening is?
En hoe organiseer je dan in de praktijk regie en integrale schuldhulpverlening c.q. ketensamenwerking? In de jaren negentig hebben gemeenten en kredietbanken op verschillende manieren geprobeerd om integrale schuldhulpverlening te realiseren. In de praktijk is het slechts op enkele plekken (zoals Tilburg) gelukt.

In deze nieuwe ronde zoeken we naar nieuwe manieren om integrale schuldhulpverlening te realiseren. Dit leidt bijvoorbeeld tot de vraag of we doormiddel van eisen in de  subsidiebeschikkingen van instellingen zoals maatschappelijk werk, verslavingszorg of maatschappelijke opvang de integraliteit beter kunnen realiseren. 

Nadja Jungmann is senior adviseur bij Hiemstra & De Vries en adviseert gemeenten en het ministerie over schuldhulpverlening

index


Klijnsma: ‘Schuldhulpverlening Tilburg mooi voorbeeld’

Door Joke de Kock *)

Op 21 januari 2010 heeft Staatssecretaris Klijnsma van SZW het wetsontwerp gemeentelijke schuldhulpverlening bij de Tweede Kamer ingediend. Een van de eisen die de staatssecretaris aan de gemeenten gaat stellen is dat zij integrale schuldhulpverlening uitvoeren. Hiermee bedoelt zij dat niet alleen de financiële problemen worden opgelost, maar ook daarmee samenhangende andere problemen bijvoorbeeld van psycho-sociale aard (waaronder relatie- of opvoedproblemen).

In de Memorie van Toelichting noemt Klijnsma de gemeente Tilburg als  “mooi voorbeeld” oftewel best practice van integrale schuldhulpverlening. Daar is de gemeente Tilburg trots op! In deze column leg ik uit wat onze aanpak zo effectief maakt.

Kenmerkend voor de Tilburgse aanpak is dat het werkproces om de klant heen is georganiseerd. We hebben niet in de eerste plaats gezocht naar de meest efficiënte inrichting van ons werkproces, maar naar de meest effectieve. Dit vanuit de overtuiging dat een niet (duurzaam)-geholpen klant zich op enig moment opnieuw meldt en uiteindelijk een veel grotere kostenpost oplevert.

Het startpunt van onze hulpverlening is een brede intake waarin we niet alleen aan de klant vragen welke financiële problemen hij heeft, maar vooral ook kijken naar de oorzaken die er toe hebben geleid dat iemand in de problemen kwam. Voorbeelden van oorzaken die we daarbij tegenkomen zijn mensen die vastlopen in de complexiteit van de wet en regelgeving, die door onverwerkte rouwprocessen( verlies van partner of arbeid) hun financiën laten versloffen of mensen die simpelweg te hoge lasten hebben om te betalen nadat ze hun baan verliezen.

Afhankelijk van de oorzaak stellen we een plan van aanpak op dat indien nodig voorziet in een combinatie van financiële hulp (inkomen op peil brengen, schulden oplossen, budgetteren etc.) en immateriële hulp (maatschappelijk werk, opvoedondersteuning etc.)

Vanuit de overtuiging dat een integrale aanpak de juiste is, kiezen we er in Tilburg nadrukkelijk voor om het sturen op gedrag en het ontwikkelen van vaardigheden een belangrijke plek te geven in onze schuldhulpverlening. Om de schuldenaar en schuldeisers blijvend te motiveren om mee te doen aan de vaak intensieve trajecten van schuldhulpverlening, is het van het grootste belang dat zij beiden weten waar ze aan toe zijn en waar ze (niet) op kunnen rekenen.

Zowel de schuldenaar als schuldeisers vertellen wat ze van ons kunnen verwachten, is voor ons een belangrijke activiteit waar we veel tijd in steken en onze werkwijze ook op hebben ingericht. Door ook de andere hulpverleners die bij onze klanten betrokken zijn, serieus te nemen en goed te informeren, blijven ook zij aangehaakt op de uitvoering van schuldhulpverlening en pakken zij hun eigen rol die bijdraagt aan een succesvolle toekomst voor de schuldenaar.

Alles wat wij doen is gebaseerd op de visie dat onze inzet moet bijdragen aan de duurzame zelfredzaamheid en vitaliteit van de klant. In het wetsontwerp wordt participatie genoemd als expliciete doelstelling. Meedoen is niet alleen een doel van de Wmo maar dat geldt ook op andere terreinen zoals de schuldhulpverlening; dat is ons uit het hart gegrepen.

Wij hebben deze manier van werken vanaf 2002 toegepast en doorontwikkeld. Het is heel mooi om aangemerkt te worden als “best practice” maar dit betekent niet dat we klaar zijn. We blijven nadenken over manieren om onze visie vorm te geven in de context van een permanent veranderende omgeving. Dat zien we als een uitdaging die wij dagelijks opnieuw willen aangaan!

Veel gemeenten/schuldhulpverleningsorganisaties kennen wel een multidisciplinaire aanpak, echter de samenhang en de complementaire samenwerking ontbreekt.
Wij zijn graag bereid om met alle uitvoerders van schuldhulpverlening en koepelorganisaties zoals de NVVK, VNG en Divosa verder na te denken over de kwaliteit van de schuldhulpverlening.

*) Joke de Kock is sinds 2001 manager van het Bureau Schuldhulpverlening in Tilburg en bestuurslid van de NVVK

index


Klijnsma stelt geld beschikbaar voor projecten tegen armoede en sociale uitsluiting
Staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 4 februari in Utrecht het startsein gegeven voor het Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Zij heeft daar acht projecten bekend gemaakt die in het kader van dit jaar van start gaan en subsidie krijgen. Deze projecten maken onderdeel uit van een reeks initiatieven die in dit jaar worden ontplooid om het onderwerp onder de aandacht te brengen.

Acht projecten (zie onder) hebben in totaal 350.000 euro gekregen om op lokaal niveau armoede te bestrijden en maatschappelijke deelname te bevorderen. Ook kondigde Klijnsma op de conferentie een stimuleringsprijs aan voor het beste idee om armoede tegen te gaan. De prijs van 25.000 euro zal tijdens de slotconferentie in november worden uitgereikt. Daarnaast verzorgde Klijnsma de aftrap voor een stedenestafette: een reeks van lokale manifestaties die door gemeenten worden georganiseerd met als doel het bestaande armoedebeleid te verbeteren en te promoten.

Klijnsma: “Armoede in Nederland betekent vooral een gebrek aan kansen; het niet mee kunnen doen in de maatschappij. Armoede is dan ook meer dan een gebrek aan geld, het is vooral een gebrek aan toekomstperspectief. Armoede moet met name op gemeentelijk niveau worden aangepakt. Gemeenten hebben het beste zicht op de mensen die het betreft en daarom stimuleert het kabinet juist lokale initiatieven. Veel gemeenten zijn al druk in de weer met dit onderwerp, maar er is nog veel te doen. Sommige gemeenten hebben armoedecoalities gesloten met diverse maatschappelijke organisaties en ondernemers. Goede initiatieven die juist in het kader van dit Europees Jaar als voorbeeld dienen. Onder andere door de acht projecten en de stimuleringsprijs wil het kabinet met gemeenten en betrokken organisaties dit jaar extra nadruk leggen op armoedebestrijding en het tegengaan van sociale uitsluiting.”

De acht maatschappelijke projecten die van staatssecretaris Klijnsma een bijdrage krijgen zijn:

  1. Almere doet mee. Een initiatief van de Stichting fonds voor bijzondere noden Almere. Iedere maand zal een andere activiteit worden georganiseerd in het kader van armoede(preventie).
  2. Als je het niet kunt zeggen, zing het dan. Stichting De eek organiseert een reeks bijeenkomsten waar mensen met een minimuminkomen een lied schrijven over hun situatie. Het lied schrijven gebeurt in groepsverband zodat mensen van elkaars situatie op de hoogte raken en over mogelijke schaamte heen kunnen stappen.
  3. Praktische dienstverlening. Een actie van de stichting Mooi waarbinnen een laagdrempelig aanbod wordt geboden voor inwoners van de Haagse wijken Laak en Escamp met als doel zelfredzaamheid te vergroten en greep te krijgen op de eigen financiële situatie.
  4. Meer kansen voor alleenstaande ouders. Een initiatief van de FNV Vrouwenbond. In vier gemeenten worden groepen vrijwilligers van de FNV Lokaalgroepen opgeleid om alleenstaande ouders op lokaal niveau te informeren over mogelijkheden om hun inkomen en positie op de arbeidsmarkt te verbeteren.
  5. Armoede en vrijetijdsbesteding van kinderen. Met dit project wil International Child Development Initiatives de aandacht richten op kinderen en jongeren uit minderheids- en immigrantenmilieus om te zorgen dat zij goed hun draai vinden in de maatschappij.
  6. Samen werken aan een lokale sociale agenda. De Stichting Clip wil met een Lokale Sociale Agenda lokale anti-armoedegroepen en cliëntenraden in 50 à 60 gemeenten motiveren en ondersteunen.
  7. Gedeelde ervaringen. De Stichting Vluchtelingenwerk van Amstel tot Zaan wil oudere Amsterdammers in contact brengen met oudere vluchtelingen met als doel de laatste uit het isolement te halen en hen meer te betrekken bij de Nederlandse samenleving.
  8. Onbekend en bemind. In drie wijken in Rotterdam-Zuid (Tarwewijk, Katendrecht en Beverwaard) gaat de Stichting House of Hope vrijwilligers inschakelen om wijkbewoners persoonlijke aandacht en steun te geven.

Bron: Min. Van SZW, 04 februari 2010

index


Veel gemeenten hebben aansprekend armoedebeleid
Gemeenten in Nederland zijn actief op het vlak van armoedebestrijding. Hoe de gemeenten dat invullen is afhankelijk van lokaal beleid op basis van de lokale situatie. Door het ontsluiten van goede voorbeelden op www.vng.nl kunnen gemeenten optimaal profiteren van elders opgedane inzichten of opgestarte projecten en regelingen.

Het gemeentelijk armoedebeleid is samengesteld uit een aantal onderdelen:

  • Individuele bijzondere bijstand
  • Categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen
  • Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen
  • Schuldhulpverlening
  • Maatschappelijke participatie (bijvoorbeeld stadspassen, schoolkosten-, sport- en cultuurregelingen)
  • Langdurigheidstoeslag
  • Collectieve zorgverzekeringen voor minima

Op vng.nl staan ruim 60 aanpakken, projecten of regelingen opgesomd en dit aantal blijven wij aanvullen.

Voorbeelden belichten
De komende weken zullen wij steeds een aantal voorbeelden belichten op een specifiek onderdeel van het armoedebeleid. Deze week geven we extra aandacht aan regelingen voor kinderen in een armoedesituatie. Hieronder treft u een bloemlezing aan uit de talloze kindspecifieke regelingen die er zijn bij Nederlandse gemeenten. 

  • Amsterdam. Amsterdam kent de jongerenkaart XXXS. Alle 50.000 Amsterdammers tussen de 12 en 18 jaar hebben deze kaart met de post ontvangen. Hiermee krijgen ze korting op onder andere het lidmaatschap van sportscholen, en -verenigingen, bioscopen, boeken, festivals, musea, theather, muziek, kleding, computers en internet. 
  • Alphen aan den Rijn. Alphen aan den Rijn heeft een regeling Jonge Gezinnen voor de bekostiging van sociale en maatschappelijke activiteiten.
  • Leeuwarden. Leeuwarden heeft samen met het NIBUD een boekje ontwikkeld dat naar álle kinderen van Leeuwarden uit groepen 4 en 5 is gegaan. Het boekje is vervolgens - wegens enorm succes - landelijk uitgerold. Het boekje heet 'Meneer Beer' en stipt op een heel toegankelijke manier aan hoe je schulden kan voorkomen. Voor oudere kinderen heeft de gemeente Leeuwarden met hetzelfde doel een geldkoffer via scholen aangeboden.
  • Brummen. De gemeente Brummen stelt voor gezinnen met een laag inkomen en schoolgaande kinderen een computer beschikbaar. 
  • Lisse. De gemeente Lisse biedt onder andere huishoudens met een laag inkomen € 100 per gezinslid en € 200 voor de minderjarige kinderen om deel te kunnen nemen aan sportieve en sociaal culturele activiteiten.
    Een aantal gemeenten wisselt in bijeenkomsten ook actief met elkaar ideeën uit over armoedebeleid, -regelingen en projecten.

Meer informatie

Bron: VNG, 5 februari 2010

index


ME/CVS erkend als chronische ziekte en bron voor meerkosten
Correctie op eerdere berichtgeving
In de vorige nieuwsbrief (nr 10/03) hebben wij een bericht opgenomen van de ME/CVS Stichting Nederland over het feit dat staatssecretaris Bussemaker ME/CVS heeft erkend als chronische ziekte met betrekking tot de Wtcg en de Wmo. De stichting bleek de brief, die Bussemaker daarover naar de Kamer heeft gestuurd, wat al te optimistisch te hebben geïnterpreteerd. Hieronder meer informatie.
Het voldoende erkennen van ME/CVS bij de arbeidsongeschiktheidskeuringen blijft overigens nog steeds een probleem, zo blijkt uit een uitspraak van de beroepsrechter in Almelo (zie onder de rubriek WIA, elders in deze nieuwsbrief).

Staatssecretaris erkent ME/CVS als chronische ziekte met hoge meerkosten bij kinderen  
Staatssecretaris Bussemaker van VWS wil het Chronisch vermoeidheidssyndroom toevoegen aan de lijst  van chronische ziektes die voor patiënten hoge meerkosten met zich meebrengen. Dit schrijft zij in een brief aan de Tweede Kamer.*)

Dit is een welkome erkenning voor ME/CVS-patiënten. Zij worden immers regelmatig geconfronteerd met onbegrip en de ingrijpende gevolgen van hun ziekte worden vaak onvoldoende serieus genomen.
De lijst speelt een rol bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten. Wanneer en hoe ME/CVS-patiënten van deze wijziging kunnen profiteren is nog niet helemaal duidelijk. Ook is nog onbekend of deze wijziging door gaat werken in de compensatie van het eigen risico in de zorgverzekeringswet, waar ME/CVS-patiënten tot nu toe niet voor in aanmerking kwamen, tenzij zij meer dan een half jaar opgenomen zijn (geweest) in een AWBZ-instelling. De brief van de staatssecretaris wordt binnenkort in de Tweede Kamer besproken.

Erkenning CVS als ziekte met hoge meerkosten geldt alleen voor kinderen  
De erkenning van CVS als ziekte met hoge meerkosten in het kader van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (WTCG) geldt alleen voor CVS bij kinderen. Dit hangt samen met het feit dat behandelingen van volwassen CVS-patiënten in ziekenhuizen niet onder de noemer CVS worden geregistreerd. Staatssecretaris Bussemaker schrijft in een brief aan de Tweede Kamer dat het rapport van de 'Taskforce verbetering Wtcg' de indruk wekt dat deze erkenning ook geldt voor CVS bij volwassenen, maar dat dit niet zo is bedoeld. Zij stelt dat de positie van volwassenen met CVS in de toekomst betrokken zal worden bij een verdere verbetering van de afbakening van de groep die in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming op basis van de WTCG.

Op grond van de WTCG kunnen mensen die veel zorg gebruiken, ouderen en arbeidsongeschikten vaste tegemoetkomingen krijgen die variëren van 150 tot 500 euro. Het is een ingewikkelde regeling, waarvoor meerdere uiteenlopende criteria gelden. ME/CVS-patiënten kunnen op grond van criteria die niets met de behandeling van ME/CVS te maken hebben soms wel in aanmerking komen voor zo'n tegemoetkoming. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het krijgen van een bepaalde hoeveelheid huishoudelijke hulp via de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) of  bij een arbeidsongeschiktheid van minstens 35%.

De Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid vindt ziekenhuisbehandeling geen goed criterium voor de meerkosten die ME/CVS-patiënten als gevolg van hun ziekte hebben. De Steungroep deelt het standpunt van de Chronisch zieken en Gehandicapten-Raad (CG-Raad) dat bij de WTCG nog te veel mensen buiten de boot vallen. Ook is zij met de CG-Raad van mening dat bij het bepalen welke groepen chronisch zieken en gehandicapten hoge meerkosten hebben de beperkingen in het functioneren een belangrijke rol zouden moeten spelen. 

*)  Regeling van een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten (Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten). Brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, welzijn en sport, 11 december 2009. Kamerstuk 31706, nr. 35 klik hier voor het bestand

Meer informatie over de WTCG: http://www.wtcg.info/ 

Bron: Steungroep ME & Arbeidsongeschiktheid, 27 januari 2010

index


Werkloosheid niet-westerse allochtonen opgelopen tot 11 procent
Als gevolg van de economische crisis is de werkloosheid onder niet-westerse allochtonen in 2009 voor het eerst sinds 2005 weer toegenomen. De werkloosheid nam de afgelopen jaren, met name onder niet-westerse allochtonen, juist sterk af. Dit blijkt uit de nieuwste cijfers van het CBS.

In 2009 was 11,0 procent van de niet-westerse allochtonen werkloos. Daarmee zijn zij bijna drie keer zo vaak werkloos als autochtonen. Onder autochtonen was de werkloosheid 4,0 procent. Ten opzichte van een jaar eerder nam de werkloosheid in beide groepen toe. In 2008 was 9,0 procent van de niet-westerse allochtonen werkloos. Onder de autochtonen was dit 3,2 procent. Ook toen waren niet-westerse allochtonen dus drie maal zo vaak werkloos als autochtonen.

Onder niet-westers allochtone mannen kwam de werkloosheid in 2009 uit op 11,3 procent, een jaar eerder was dit 8,2 procent. Onder niet-westerse vrouwen bedroegen deze percentages respectievelijk 10,7 en 10,2 procent. De werkloosheid onder niet-westers allochtone mannen en vrouwen is daarmee in 2009 op gelijk niveau gekomen. De afgelopen jaren was de werkloosheid onder niet-westerse vrouwen meestal hoger.

Vooral de jongeren onder de niet-westerse allochtonen zijn getroffen door de oplopende werkloosheid. In 2009 was 20,5 procent werkloos, een jaar eerder was dit nog 16,8 procent. Ook in de leeftijdsgroep van 25 tot 45 jaar nam de werkloosheid bij de niet-westerse allochtonen flink toe en kwam uit op 9,5 procent. Onder de autochtone bevolking steeg in 2009 vooral de werkloosheid onder jongeren en bereikte een niveau van 9,6 procent. In de andere leeftijdsgroepen nam de werkloosheid slechts licht toe.

Van de vier grootste groepen niet-westerse allochtonen vormen Marokkanen door de jaren heen de groep met de hoogste werkloosheid. In 2009 was dit 12,3 procent. Surinamers kennen over het algemeen de laagste werkloosheid, 10,1 procent. De werkloosheid nam in 2009 onder al deze niet-westerse groepen toe.

Bron: CBS, 4 februari 2010

index


Chronisch zieken sneller ontslagen?
Reumapatiënten verliezen sneller hun baan bij reorganisaties. Die indruk heeft het Reumafonds. De organisatie pleit voor onderzoek naar ontslag bij chronisch zieken omdat concrete cijfers ontbreken. Het roept werkgevers op om meer moeite te doen om chronisch zieken voor hun bedrijf te behouden. Voorzitters Alexander Rinnooy Kan van de SER en Loek Hermans van MKB-Nederland ondersteunen dit verzoek.

Het Reumafonds zegt steeds vaker te horen van patiënten dat ze hun baan kwijt raken door hun aandoening. Vooral in januari was er een flinke toename, zei een woordvoerster vrijdag. Dat ligt volgens haar aan de economische crisis. De organisatie wil weten hoeveel mensen exact worden ontslagen omdat zij chronisch ziek zijn. "Wij hopen dat een instantie de handschoen oppakt," aldus de woordvoerster.
Volgens de wet mag iemand niet worden ontslagen op grond van een ziekte.

index


Donner: sollicitatieplicht ouderen anders invullen
Als het aan minister Donner van Sociale Zaken ligt is het binnenkort niet meer nodig dat ouderen 'talloze brieven schrijven die onbeantwoord blijven'. Uit experimenten blijkt dat ouderen veel meer kans maken op een baan als ze andere manieren, zoals het maken van een videopresentatie of 'speeddaten' gebruiken. Donner wil nu dat alle werkpleinen op deze manier de sollicitatieplicht voor ouderen gaan invullen. Dat zei hij gisteren tijdens de opening van het arbeidsmobiliteitscentrum 'De Vallei' in Ede.
Donner doelde op de experimenten in het project Talent 45+. Dit project heeft in de jaren 2007-2008 mooie resultaten opgeleverd in de extra uitstroom van 45-plussers naar werk (niet 30.000 zoals geambieerd maar 60.000 extra uitstromers naar werk). Totaal zijn er volgens het UWV tussen eind 2006-2009, 85.000 45-plussers extra uitgestroomd.
De brief hierover aan de Tweede Kamer: klik hier

Bron: Min. Van SZW, 9 februari 2010

index


Voorbeeldregeling vraaggerichte reïntegratie
De Raad voor Werk en Inkomen (RWI) verwacht dat als gemeenten besluiten om gezamenlijk een subsidieregeling in te stellen, dit zal leiden tot meer en meer succesvolle reïntegratietrajecten en van-werk-naar-werk activiteiten. Ter ondersteuning heeft de RWI een voorbeeldregeling opgesteld die ruimte biedt om een subsidieregeling te maken die past bij de eigen, regionale omstandigheden.

Volgens de RWI is vraaggerichte reïntegratie een effectief instrument om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar te brengen. Met het instellen van een regionale subsidieregeling bieden gemeenten aan sectoren, branches en het regionale bedrijfsleven de kans om met creatieve voorstellen te komen. Uitgangspunt van de regeling is cofinanciering door gemeenten en werkgevers.

Eigen keuzes
De RWI geeft in de toelichting op de voorbeeldregeling aan op welke punten gemeenten zelf keuzes kunnen en moeten maken. In de eerste helft van 2010 zullen RWI en VNG nog een informatiebijeenkomst organiseren over dit onderwerp.
 
Meer informatie

index


6000 leerwerkplekken voor jongeren in de metaalsector
Gemeenten, UWV WERKbedrijf, vakbonden en werkgevers in de metaalsector zetten zich samen in om 6000 leerwerkplekken te realiseren voor jongeren tot 27 jaar. Vandaag gaven zij in Dordrecht met vier jongeren en staatssecretaris Jetta Klijnsma de feestelijke aftrap van deze unieke samenwerking om de jeugdwerkeloosheid te bestrijden. De vakbonden en werkgevers investeren daarnaast 77 miljoen euro extra in de arbeidsmarkt en opleidingen voor de metaalsector.

Voor jongeren die nu al zonder werk zitten, komen er 3000 leerwerkplekken in de metaal en techniek en Metalektro. Daarnaast komen er 2600 zogenaamde arbeidsfitstages: plekken waar werkloze gekwalificeerde jongeren stage kunnen lopen om de noodzakelijke vaardigheden te onderhouden. Op die manier blijven zij actief in de metaalsector om direct weer aan de slag te gaan als de economie aantrekt. Er is speciale aandacht voor kwetsbare jongeren. Daarvoor worden 400 aparte leerwerkplekken gecreëerd.

Hans Spigt, wethouder in Dordrecht en voorzitter van de commissie Werk en Inkomen van de VNG:
”Via deze samenwerking met de metaalsectoren kunnen gemeenten duizenden jongeren de mogelijkheid, bieden om ondanks de crisis werkervaring op te doen of hun vakmanschap verder te ontwikkelen. De jongeren worden hierdoor aantrekkelijker voor de arbeidsmarkt, kunnen in de toekomst langer op eigen benen staan en zullen daardoor geen beroep hoeven doen op uitkeringen.”

André Timmermans, directeur van het UWV WERKbedrijf:  “Het creëren van voldoende stage- en leerwerkplekken is in deze economische tijd een lastige opgave voor bedrijven. Het is echter essentieel voor de doorstroom van het onderwijs naar de arbeidsmarkt. Deze samenwerking maakt het mogelijk om heel veel jongeren perspectief te bieden in een sector waar op termijn weer veel arbeidsplaatsen zullen ontstaan. Aan vakmensen is en blijft immers altijd behoefte.”

Henk van der Kolk, voorzitter FNV Bondgenoten: ‘Door deze vruchtbare samenwerking kunnen jongeren aan de slag en uitgroeien tot krachtige vaklieden. We hebben net in de cao afgesproken dat eerder stoppen met werken mogelijk blijft in de metaal. Ouderen hoeven niet opgebrand te stoppen met werken en maken op tijd plaats voor jongeren.’

Hep van Luunen, secretaris FWM, spreekt van een uniek initiatief. “Op deze wijze wordt ondanks het slechte economische tij de instroom van jongeren in leer/werktrajecten op peil gehouden. In combinatie met de eind vorig jaar in de cao’s Metaal en Techniek gemaakte afspraken, zoals inzet van extra middelen voor kennisoverdracht en  behoud van vakkrachten, helpt dit de ondernemingen niet allen nu maar ook straks als het economisch weer de goede kant op gaat”.

De kosten voor de leerwerkplekken worden voor de helft door gemeenten en UWV betaald en de werkgeversorganisaties en vakbonden FNV Bondgenoten, CNV en De Unie betalen de andere helft. Door de publiek-private samenwerking is het makkelijker om meer plekken voor jongeren te vinden en het geeft kansen om de metaalsector in deze slechte tijden een flinke impuls te geven.

De metaal en techniek en de Metalektro sector omvat onder andere de installatie- en elektrotechniek, de koeltechniek, metaalbewerking, carrosserie, isolatietechniek, goud en zilver. In deze sectoren werken ongeveer 600.000 werknemers. 

Het convenant is een grote stap vooruit in de aanpak van de jeugdwerkloosheid, waar VNG, UWV WERKbedrijf al eerder ook met de bouw, uitzendbranche en de luchtvaart vergelijkbare afspraken maakte. In totaal zijn er nu via landelijke afspraken bijna 12.000 leerwerkplekken en stages voor werkloze jongeren toegezegd.

Bron: VNG, 10 februari 2010

index


LCR pleit voor maatwerk aanpak jeugdwerkloosheid
De Landelijke Cliëntenraad heeft zich in een brief op 5 februari gericht tot de vaste Kamercommissie voor SZW met een pleidooi om meer maatwerk na te streven bij de aanpak van de jeugdwerkloosheid. Aanleiding was het bespreken van de voortgang van het ‘actieplan jeugdwerkloosheid’ door de Kamercommissie. Hieronder een deel van de brief.

Geachte dames en heren,

Op 11 februari aanstaande heeft u een algemeen overleg over de voortgang van het actieplan jeugdwerkloosheid. Er is net gestart met de uitvoering van dit actieplan. Het valt de LCR op dat de meeste initiatieven gericht zijn op de ‘gemakkelijk’ bereikbare jongeren met maximaal een MBO opleiding. De staatssecretaris heeft aandacht voor kwetsbare jongeren maar bij de gemeentelijke actieplannen blijven zij nog onderbelicht. De intentie is uitgesproken om allochtone jongeren in
voldoende mate te laten profiteren van de getroffen maatregelen. De LCR vindt dit te mager en mist specifieke maatregelen voor specifieke groepen.
Het is een illusie om te denken dat, zeker in economisch minder gunstige tijden, algemeen beleid in staat is om de werkloosheid van minderheden en groepen met bijzondere problemen te beteugelen.

De LCR wil hierbij uw aandacht vragen voor de volgende onderwerpen:
1. hoge werkloosheid onder jongeren van niet-westerse afkomst;
2. kwetsbare jongeren;
3. School Ex programma en dan?
4. hoog opgeleidde jongeren.

Klik hier voor de gehele brief

index


Wmo-adviesraden zijn tevreden, maar het kan zoveel beter

Door Catrinus Egas en Ger Ramaekers

Uit diverse onderzoeken blijkt dat Wmo-adviesraden tamelijk tevreden zijn. Dat lijkt mooi, maar enig argwaan is wel op zijn plaats. Om te beginnen is de waarde van tevredenheidonderzoeken in het algemeen betrekkelijk gering. Het is namelijk meestal niet duidelijk wat je precies meet. In ieder geval zal duidelijk de context van de tevredenheid moeten worden weergegeven. Om te beginnen zijn deze adviesraden gepositioneerd in het gemeentelijke besluitvormingsproces en hebben ze een hoog formeel karakter. De agenda wordt overwegend bepaald door de ambtelijke dienst, er wordt geadviseerd over beleidsvoornemens en – in mindere mate – bestaande uitvoering. De context wordt verder vooral bepaald door het verwachtingspatroon. Veel adviesraden zijn tevreden als hun adviezen worden meegenomen bij de behandeling van de beleidsvoorstellen en als de overleggen tussen de adviesraad en de gemeente serieus verlopen.
Er is nog een andere reden om argwanend te zijn en dat is het feit dat adviesraden en hun leden vaak belang hechten aan de status die ermee is verbonden. Als je serieus wordt genomen door de bestuurders en je adviezen bij de raadsstukken worden gevoegd, geeft dat een zekere status. Je bent kennelijk belangrijk. De vraag blijft of de adviesraad daarmee ook potten kan breken.
Ambtenaren en bestuurders zijn vaak tevreden over de adviesraad omdat zij met de adviezen voldoen aan de verplichtingen en het op die manier mogelijk maken dat beleidsvoorstellen in behandeling worden genomen.

Wij doen al jaren onderzoek naar het functioneren van lokale advies- en cliëntenraden. In de meeste gevallen wordt geklaagd over de korte termijn waarbinnen deze raden advies moeten leveren en dat men daarvoor dikke en ingewikkelde ambtelijke stukken moet doorworstelen. Je kunt je dus afvragen wat dat betekent voor de kwaliteit en daarmee de waarde van dergelijke advisering. De kans is groot dat het op deze manier blijft steken in een formeel en ritueel dansje.

Betekent dit de dood van de cliënten- en burgerinspraak? Nee, geenszins. Laat duidelijk zijn dat we hiermee ook niet de adviesraden en hun leden willen diskwalificeren, en ook niet de goede intentie waarmee alle betrokkenen zich inzetten. En natuurlijk herbergen deze raden veel kwaliteit en worden ook resultaten geboekt in de zin van bijstelling van beleid en uitvoering. Wij constateren echter dat deze burger- en cliëntenbetrokkenheid vaak blijft steken in een eendimensionale vorm, die van de formele beleidsadvisering. En zelfs dat kan een stuk beter. Nu worden adviesraden en hun leden vooral ingezet als onbezoldigde ambtenaren. Zij mogen de ambtelijke beleidsstukken doorspitten en becommentariëren. De eerder genoemde kwaliteit van adviesraden en hun leden kan effectiever worden ingezet als zij worden aangesproken op hun specifieke kwaliteit en op het perspectief dat zij vertegenwoordigen. Hun specifieke kwaliteit zit vooral in het feit dat zij ‘ervaringsdeskundigen’ zijn. Het is dus effectiever om ze te horen over hun ervaringen, de inzichten die ze daarmee hebben opgedaan en de wensen die zij koesteren.

Representatie
Dat brengt ons op het probleem van de representativiteit van de adviesraden. Hoewel in de meeste gevallen belangrijke doelgroepen vertegenwoordigd zijn geldt dat toch niet voor alle denkbare doelgroepen. Dat kan nog wel een stuk beter – de werkingssfeer van de Wmo is immers zeer breed - maar volledige representatie van alle doelgroepen is een illusie. Zelfs doelgroepen die wel vertegenwoordigd zijn, worden beperkt gerepresenteerd. Ouderen, bijvoorbeeld, heb je in alle soorten en maten en in zeer uiteenlopende omstandigheden en dus met zeer uiteenlopende behoeften en mogelijkheden. Datzelfde kan worden gezegd van chronisch zieken en gehandicapten, van mantelzorgers, vrijwilligers, enzovoorts. De representatie in de adviesraad moet dus niet het doel zijn, wel goede communicatie met zoveel mogelijk doelgroepen en subdoelgroepen.

Het belang van een adviesraad is dat er sprake is van een geformaliseerde consultatie- en adviesfunctie, waaraan rechten en faciliteiten zijn opgehangen. Het functioneren van een adviesraad ontslaat de gemeente en de uitvoerende dienstverleners niet van de plicht zich op een goede manier te verstaan met burgers en cliënten. Tegelijk echter zal ook de adviesraad gefaciliteerd moeten worden om praktijksignalen, wensen en ideeën op te halen bij burgers en cliënten. Goed gefaciliteerd is een adviesraad dan instaat om deze ‘input’ te wegen en om te zetten in inzichten en adviezen ten behoeve van de beleidsvorming en van de beleidsuitvoering. De grootste valkuil van en voor cliënten- en adviesraden is wel dat de aandacht vooral uitgaat naar advisering in het besluitvormingstraject. Met een goede verzorging van inhoudelijke input zal een adviesraad beter in staat zijn het accent vooral te leggen bij het proces van beleidsontwikkeling en beleidsevaluatie.  Dat is niet alleen een veel natuurlijker positie maar is bovendien veel effectiever. Op die wijze kan een adviesraad een brug helpen slaan tussen beleidsmakers en burgers/cliënten. En voor alle duidelijkheid, de invloed op het beleid zal daarmee ook toenemen. Een adviesraad, die in veel te korte tijd mag adviseren over een ambtelijk beleidsstuk in de eindfase van de besluitvorming, is per definitie veroordeeld tot marginale invloed. Een adviesraad die aan de voorkant van het proces betrokken wordt is ‘partner’ in de beleidsvorming!

Hoe kan dat worden vormgegeven?
In het kader van dit korte artikel zijn we niet in staat zeer uitvoerig in te gaan op de talloze middelen en methoden die daarvoor kunnen worden ingezet. Ondermeer bij MOVISIE (www.movisie.nl) kan daarvan een overzicht worden verkregen. We willen er echter wel voor waarschuwen dat het aanreiken van methoden en technische middelen niet volstaat. Het gaat uiteindelijk om de vormgeving en de ontwikkeling van de praktijk in de betreffende lokale omstandigheden. In veel gevallen is dan deskundige begeleiding ter plaatse noodzakelijk. ‘Leren in de praktijk’ zal daarbij het voornaamste focuspunt moeten zijn.

Perspectief
Voor een wezenlijk aspect willen wij hier echter nog wel de aandacht vragen. En dat is de kwestie van het perspectief.
Een grote valkuil voor cliënten- en adviesraden is dat zij ‘bij de bestuurder op schoot gaan zitten’. Dat wil zeggen dat, door het vertrekpunt te nemen bij de vragen van de bestuurder en de ambtelijke dienst, de adviesraad al heel snel het perspectief van de bestuurder gaat kiezen. We hebben al vaak meegemaakt dat leden van zo’n raad het beleid en de beleidsmakers gaan verdedigen tegenover cliënten/burgers. De opdracht van deze raden is nu juist dat zij het perspectief van cliënten en burgers vertegenwoordigen. En dat raakt aan een wezenskenmerk van de Wmo als participatiewet. Waar overheden en dienstverleners geneigd zijn burgers te beschouwen en te behandelen als vragende partij, zou de adviesraad het vertrekpunt moeten kiezen in het feit dat burgers niet alleen maar vragers zijn maar minstens zozeer ‘participanten’ en ‘producenten’ van zorg en andere dienstverlening. Iemand die thuiszorg aanvraagt doet dat om een – betrekkelijk gering – tekort in de eigen huishouding aan te vullen. De rest doet men immers zelf en dat wordt men ook geacht te doen vanuit de Wmo. Thuiszorgverleners behoren zich daarom bescheiden en dienstverlenend op te stellen in plaats van de boel over te nemen. Het zelfde geldt voor een gehandicapte die een voorziening aanvraagt. Het gaat dan om een suppletie op de eigen mogelijkheden om het eigen leven vorm te geven. Als zo iemand het best is geholpen met een elektrische fiets moet men hem of haar geen rolstoel opdringen omdat die nu eenmaal in het voorzieningenpakket zit. Als dat in de praktijk toch gebeurt zal de adviesraad daar middels signalering en onderzoek de vinger op moeten leggen en moeten adviseren burgers en cliënten anders te bejegenen, de voorzieningenpakket uit te breiden en/of te flexibiliseren en de uitvoerders van de regeling op te dragen dit soort mismatch te signaleren en voorstellen te doen om die op te heffen.

Wij willen Wmo-adviesraden daarom meegeven: wees vooral een ‘participerende raad’ vanuit het perspectief van de burger en de cliënt. Het kan immers zoveel beter!

  • Catrinus Egas, bureau AanZ, is zelfstandig gevestigd adviseur van ondermeer cliëntenorganisaties, cliëntenraden, overheden en welzijnsorganisaties (www.aanz.org)
  • Ger Ramaekers, is als medewerker van stichting Clip adviseur en begeleider van cliëntenraden (www.stichtingclip.nl)

index


Zelfevaluatie van Wmo-raden
De Wmo-raad staat op de kaart. Dat blijkt uit een zelfevaluatie van het functioneren van 122 Wmo-raden van het Verwey-Jonker Instituut. Onderzoeker Rob Larnmerts ziet ook verbeterpunten. 'Meer doelgroepen betrekken en een meer integrale visie op de Wmo.'

Volgens de Wmo moet iedere gemeente een Wmo-raad instellen die zijn voelsprieten in de samenleving heeft. Bij 122 tussen 2005 en 2008 opgezette Wmo-raden heeft onderzoeksinstituut Verwey-Jonker nu uitgezocht hoe die nu functioneren. De uitkomst is positief. Uit het onderzoek: 'In de adviesraden wordt hard gewerkt en er worden concrete resultaten geboekt. We kunnen vaststellen dat het cliëntenperspectief rond het Wmo-beleid in Nederland op de kaart staat.'

Inspraak
De afgelopen twee jaar zijn gemeenten vooral bezig geweest met hun Wmo-beleidsplan. En over het algemeen waren de Wmo-raden daar intensief bij betrokken. Rob Lammerts: 'De mate van inspraak varieert van alleen maar raadplegend tot actieve beleidsvorming. Dit hangt ook af van de traditie die de gemeente heeft.' Er is ook kritiek op gemeenten: die zit hem vooral in tijdig advies vragen, zodat er voldoende ruimte is om een gedegen advies voor te bereiden. En gemeenten moeten transparanter zijn. Lammerts: 'Het moet voor de Wmo-raden geen zoekspelletje worden naar wat er nu precies met hun advies is gedaan.'

Achterblijvers
De meeste Wmo-raden zijn tot stand gekomen als fusie van bestaande en goedwerkende raden, vaak senioren- en gehandicaptenraden. Deze groepen hebben, samen met mantelzorgers, chronisch zieken en vrijwilligers, voldoende vertegenwoordiging. Maar er blijven ook groepen achter: ggz-cliënten, allochtonen, jongvolwassenen, dak- en thuislozen en verslaafden. Acht van de tien raden mist nog belangrijke doelgroepen. Een hoopvol gegeven is wel dat het gros werkt aan
verbeterinitiatieven. Lammerts: 'Het is de gemeenten er veel aan gelegen dat iedereen is vertegenwoordigd, al blijft het vanwege de onzichtbaarheid en ongrijpbaarheid van sommige groepen een moeizaam proces.'

Visie
Van de Wmo-raden adviseert 89 procent over alle prestatievelden; 86 procent zegt ook ongevraagd advies te geven. Dat is goed, vindt Lammerts: 'Het is van het hoogste belang dat ze hun eigen agenda voeren. Een gemeente die op gelijke voet staat met de Wmo-raad, dat is het ideaal.' Een verbeterpunt is volgens hem wel dat de raden meer eigen visie moeten ontwikkelen en inzicht moeten krijgen in de Wmo. 'Het gaat niet alleen maar om losse onderwerpen als huishoudelijke zorg of een aanpassing voor mensen met een beperking. Het gaat om de kwaliteit van zorg. Bij de inrichting van een winkelcentrum vindt iemand in een rolstoel bijvoorbeeld bondgenoten in jonge moeders met kinderwagens en senioren met rollators. Dát is de Wmo-gedachte.’

index


Onderzoek naar begrijpelijkheid van beschikkingen CAK
De Nationale ombudsman, Alex Brenninkmeijer, start een onderzoek naar de begrijpelijkheid van beschikkingen die burgers ontvangen van het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Aanleiding voor dit onderzoek zijn klachten van burgers die de ombudsman hierover ontvangen heeft. Beschikkingen volgen elkaar snel op, het is onduidelijk waarom iemand weer een beschikking krijgt en wat de gevolgen ervan voor de ontvanger zijn. Ook is het verwarrend dat er naast persoonlijke ook algemene informatie in de beschikking staat. De ombudsman wil op basis van zijn onderzoek eisen formuleren waaraan een begrijpelijke beschikking van het CAK moet voldoen.

Een taak van het CAK is het berekenen en incasseren van de eigen bijdrage voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Iemand die bijvoorbeeld zorg ontvangt, krijgt van het CAK een beschikking waarin staat welk bedrag die persoon maximaal zelf moet bijdragen aan de zorg. Veel mensen ontvangen echter eerst één of soms zelfs meerdere voorlopige beschikkingen en uiteindelijk een definitieve. Deze beschikkingen kunnen elkaar snel opvolgen. Ook is niet duidelijk of de informatie die erin staat algemeen bedoeld is of betrekking heeft op de ontvanger. Dit zorgt voor veel onduidelijkheid en maakt het voor mensen moeilijk te controleren of de beschikking wel klopt.

Kwetsbare positie
De Nationale ombudsman vindt het belangrijk dat de beschikkingen van het CAK helder zijn en voor iedereen te begrijpen. Te meer omdat de ontvangers ervan (zorg)afhankelijke mensen zijn in een kwetsbare positie. Deze beschikkingen kunnen invloed hebben op hun rechtspositie en inkomen. De ombudsman is daarom een onderzoek gestart naar de begrijpelijkheid van de beschikkingen. Hij wil bekijken aan welke eisen een heldere beschikking moet voldoen, zodat het CAK deze kan toepassen. Naar verwachting zal het onderzoek in april zijn afgerond.

Problemen bij CAK
Naast klachten over de begrijpelijkheid van beschikkingen komen bij de Nationale ombudsman ook veel andere klachten over het CAK binnen. In 2008 ontving hij 1161 klachten over ondermeer de slechte telefonische bereikbaarheid, facturen die niet zouden kloppen en het niet nakomen van toezeggingen. In 2009 daalde het aantal klachten naar 841.

Bron: De Nationale Ombudsman, 29 januari 2010

index


Wijkverpleegkundigen spil in aandachtswijken
 ‘Omdat de wijkverpleegkundige een belangrijke spil in de wijk moet zijn, is het programma de Zichtbare Schakel gestart.' Dit zei staatssecretaris Bussemaker vandaag bij de werkconferentie ‘Zichtbare Schakel’ in het Florence Nightingale Instituut in Zetten.

'Hiermee krijgt het werk van de wijkverpleegkundige meer inhoud door naast de verplegende taak een coördinerende, een regisserende en een signalerende taak toe te voegen. Het werk van de wijkverpleegkundige moet er op gericht zijn dat de positie van de cliënten wordt versterkt, zodat ze zelfstandig kunnen wonen en niet afhankelijk worden van de AWBZ’, aldus Bussemaker.

Met de 'Zichtbare schakel. De wijkverpleegkundige voor een gezonde buurt' wordt door VWS en WWI, uitvoering gegeven aan de motie Hamer. Deze motie werd september 2008 door de Tweede Kamer aangenomen en wil de uitbreiding van het aantal wijkverpleegkundigen vooral veertig aandachtswijken.
De wijkverpleegkundige moet weer zichtbaar worden. In de eerste plaats voor de bewoners in de wijk, maar ook voor de collega-professionals op het terrein van wonen, zorg en welzijn en voor de gemeente.
Eind 2009 zijn 42 Zichtbare schakel-projecten van start gegaan in de aandachtswijken. In totaal moeten de projecten werk bieden aan 250 extra wijkverpleegkundigen, waarvan er nu met de start van het programma zo’n 200 aan het werk gaan.

Bron: Ministerie van VWS, 4 februari 2010

index


Bezuiniging AWBZ: noodzaak ondersteuning mantelzorgers
'We maken van de nood een deugd  in de Arnhem '
Mantelzorgers krijgen het moeilijk, nu met de pakketmaatregel AWBZ een hoop professionele zorg wegvalt. Hoe pakt de gemeente Arnhem dit aan? 'Door nog meer inzet van vrijwilligers en mantelzorgers, maar dan wel goed gefaciliteerd', aldus wethouder Barth van Eeten.

‘Kijk, volgens de berichten zouden er nu een hele hoop mensen aan de bel moeten trekken, Alleen gebeurt dat niet.' Barth van Eeten (Groenlinks) is er nog niet helemaal uit wat hij moet
denken van de bezorgdheid dat er veel onzichtbaar leed ontstaat nu de pakketmaatregel AWBZ van kracht is. 'Maar een klein deel zoekt de gemeente op; de rest denkt blijkbaar: "ik los het zelf wel op".' Maar, zegt hij ook: 'In het kader van de Wmo heeft de gemeente wel een verantwoordelijkheid, namelijk dat zoveel mogelijk mensen zelfstandig zijn en meedoen. Daar komt nog een doelgroep bij, een groep waarvan het kabinet zegt: "je hoort jezelf te redden". Lukt ze dat niet dan springen wij bij.'

Creatief en efficiënt
In het budget dat de gemeente krijgt voor ondersteuning is flink gesneden, zegt Van Eeten. 'Iedereen kijkt nu wel vol verwachting naar de gemeente, maar vorig jaar kregen we maar 3 procent van wat we normaal krijgen. Stel je voor: dat is 97 procent minder.'
En dus moet hij creatief zijn. en vooral efficiënt. 'Met die 3 procent ondersteunen we daarom vooral de maatschappelijke instellingen die mantelzorgers steunen. We gaan met ze om de tafel om de alqemene voorzieningen zo effectief mogelijk te organiseren. Met Stichting Welzijn Ouderen Arnhem (SWOA) inventariseren we bijvoorbeeld wat er mogelijk is aan dagbesteding. Vervolgens creëren we een plek in de wijk waar allerlei mensen elkaar kunnen ontmoeten. Een gezond iemand zegt dan wellicht tegen een oudere: "zal ik voor jou één keer in de week boodschappen halen? Ik moet toch zelf ook naar de winkel'. En zo maken we van de nood een deugd. Ons doel is: nog meer inzet van vrijwilligers en mantelzorgers.'
Mensen die zorg nodig hebben, zouden bovendien zelf ook vrijwilligerswerk kunnen doen, vindt de wethouder. 'Een oudere dame die een paar uur in de week voorleest in de bibliotheek bijvoorbeeld. Die, zal daarna misschien minder beroep doen op zorg omdat ze meetelt zich betrokken voelt.'

Waardering
De wethouder vindt het bovenal belangrijk dat mantelzorgers zich gewaardeerd voelen. 'Zo organiseert de gemeente een Dag van de Mantelzorger, plaatsen we mobiele mantelzorgwoningen en wijzigen we bestemmingsplannen zodat mensen dichter bij elkaar kunnen gaan wonen. Kortom: alles om de mantelzorger het gevoel te geven welkom te zijn. We moeten ons toch realiseren dat bijna driekwart van de zorg uiteindelijk door vrijwilligers en mantelzorgers overeind wordt gehouden. Dus o wee als die groep afhaakt.'

index


Bussemaker wil gebruik pgb in de zorg beperken
Staatssecretaris Bussemaker wil het gebruik van het persoonsgebonden budget (pgb) terugdringen. Alleen mensen die er bewust voor kiezen de regie over hun eigen leven te voeren, zouden nog in aanmerking moeten komen. Dat schrijft ze in een brief aan de Tweede Kamer.

Bussemaker wil dat het pgb terugkeert naar de oorspronkelijke doelstelling: mensen in staat stellen om zelf de regie te voeren over de zorg. In haar ogen is het pgb alleen bedoeld voor mensen die er bewust voor kiezen zelf de regie te voeren. Ook moeten ze laten zien dat ze goed met geld kunnen omgaan. Daarom zijn mensen met gedragsstoornissen, psychische problemen of verslavingsproblematiek minder geschikt voor een pgb, tenzij ze zich adequaat kunnen laten vertegenwoordigen, aldus Bussemaker.

Steeds meer pgb-houders
Elk jaar doen er meer mensen een beroep op het pgb. In 2003 waren er nog 51.000 budgethouders, in het najaar van 2009 ruim 115.000. Dat is circa 19 procent van alle mensen die AWBZ-zorg krijgen. Aanvankelijk waren pgb-houders vooral lichamelijk gehandicapten en mensen met een chronische ziekte. De laatste jaren krijgen steeds meer kinderen en ggz-cliënten een pgb.

Oneigenlijk gebruik pgb
Bussemaker vindt dat er te veel mensen een pgb gebruiken voor wie dat niet is bedoeld. Zo zijn er mensen die niet of nauwelijks vanuit het bewustzijn dat zij kiezen voor ‘eigen regie’ een pgb aanvragen en de zorg laten uitvoeren door bemiddelingsbureaus. Anderen kiezen een pgb omdat ze geen zorgaanbieders kunnen vinden met een geschikt zorgaanbod. Ook komt het voor dat zorginstellingen mensen aansporen een pgb aan te vragen omdat het zorgkantoor geen geld meer heeft om zorg te contracteren. Voordat de staatssecretaris knopen doorhakt voor wie het pgb beschikbaar blijft, laat ze met de belangenvereniging voor budgethouders Per Saldo in kaart brengen wie momenteel een beroep doen op het pgb.

Pgb onder AWBZ-contracteerruimte
Omdat de financiering een subsidieregeling is met een open einde, gaan er steeds meer collectieve middelen naartoe. In 2010 zal dat naar verwachting 2,1 miljard euro zijn. Om de kosten te beheersen, wil de Tweede Kamer het pgb vanuit de AWBZ-contracteerruimte financieren. Dat kan echter niet op korte termijn, omdat uit onderzoek van VWS blijkt dat daarvoor de AWBZ moet worden aangepast. Bussemaker mikt op 2012 als op 1 april wordt besloten om zorgverzekeraars de AWBZ voor hun eigen verzekerden te laten uitvoeren.

index


'Misbruik elektronisch patiëntendossier kinderspel door slecht toezicht'
Heel veel mensen krijgen toegang tot het elektronisch patiëntendossier (epd). Hoe het toezicht op misbruik wordt geregeld, blijft vaag. Niemand wil het doen en het is eigenlijk ook niet mogelijk. Dat blijkt uit een onderzoek van Webwereld en Medisch Contact.

Webwereld verkreeg de informatie van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) door het indienen van een Wob-verzoek. Samen met Medisch Contact analyseerden zij de documenten. Daaruit bleek dat het toezicht op de toegang tot het epd ernstig tekortschiet.

Toegang tot het epd
“Er zijn nogal wat mensen die toegang krijgen tot het medische dossier. Wie geen bezwaar heeft gemaakt opent zijn of haar dossier voor een lange en brede lijst van mensen in de zorg”, schrijft Webwereld. Personen die toegang hebben tot het epd zijn bijvoorbeeld verpleegkundigen, doktersassistenten en artsen. Daarnaast kunnen diëtisten, spelbegeleiders op een kinderafdeling, secretaressen, functionarissen belast met het feitelijk beheer van het patiëntendossier en ict-medewerkers ook toegang krijgen tot de database met patiëntengegevens.

Gebrekkig toezichtsysteem
Controle op misbruik van het epd wordt achteraf geregeld. Elke keer als een dossier wordt bekeken, wordt dit in het systeem vastgelegd. Er mag alleen dan in het dossier worden gekeken als er sprake is van een behandelrelatie tussen arts en patiënt. Maar in een adviesaanvraag aan het CBP erkent het ministerie van VWS meteen dat dit technisch eigenlijk niet te controleren valt. “Hoewel toezicht achteraf goed is vormgegeven, is het 'kwaad' dan al geschied.” Over het algemeen zullen artsen hier integer mee omgaan en heeft het inloggen een remmende werking, verwacht het ministerie.

Onvoldoende controle
“Het is onvoldoende dat achteraf kan worden vastgesteld dat iemand zijn boekje te buiten is gegaan en onbevoegd toegang heeft gekregen tot een medisch dossier”, reageert het CBP volgens documenten in het bezit van Webwereld. “Nog daargelaten dat het waarschijnlijk onbegonnen werk is om al die loggegevens daadwerkelijk te controleren.”

index


Aanmelden
Alleen voor deelnemers intranet. Ook lid worden, meld je aan via de knop aanmeldenin het menu.

Gebruikersnaam

Wachtwoord

Onthoud mij

Zoeken
Zoekopdracht
Zoek